Advertentie

Browse By

Het geheim van Leutingewolde

Leutingewolde door de lens van Albert Hummel

Ik zal een bengeltje van een jaar of acht geweest zijn toen ik tijdens een van de vele logeerpartijen bij mijn grootouders in Leutingewolde te laat thuis was gekomen en een standje kreeg van mijn opa. Naast een kwaaie blik van mijn grootmoeder, kreeg ik van mijn grootvader te horen hoe gevaarlijk het op warme zomeravonden in het buurtschap kon zijn. Hij riep mij bij zich en begon te vertellen over een boerenknecht, die geen angst kende en dacht dat hij de hele wereld in zijn eentje aankon.

Op een broeierige zomeravond aan het begin van de vorige eeuw bonkte een boerenknecht met veel lawaai op de deur van een boerderij in Leutingewolde, daar waar de weduwe van Jan Hindriks destijds woonde. In de hemel waren de eerste bliksemflitsen te zien en het gerommel in verte kondigden een zware onweersbui aan. Hinnik-Jan Schutteldouk bonkte nogmaals luid op de deur en stopte pas toen hij het geschuifel van de oude vrouw hoorde.

“Ja, ja, ik kom er al aan”, prevelde de oude vrouw, vroeg zich af wie er nu nog zo laat op pad was en deed de deur open. Voor haar stond de lijkbleke boerenknecht Hinnik-Jan Schutteldouk te rillen en vroeg of hij binnen mocht komen. “Nou, toe moar”, zei de weduwe, “Kom moar met noar de keuken”. Hinnik-Jan liep achter haar aan naar de keuken en nam plaats op een stoel. Toen hij eenmaal zat, werden zijn ogen groter en begon het zweet over zijn gezicht te stromen.

Een uur eerder was Hinnik-Jan naar de koeien gaan kijken die in het land bij de Oosteinderlaan liepen. Het leek er op dat er die avond een zwaar onweer kon gaan losbarsten en de boer maakte zich daarover zorgen. Hij wist hoe het daar kon spoken tijdens een noodweer en stuurde daarom de knecht er op af. “Blief doar niet laang”, had hij nog tegen Hinnik-Jan gezegd, “Doar wil je niet wezen als ‘t gedonder begunt!”. De knecht gniffelde wat en dacht bij zichzelf dat er wel heel wat gebeuren moest om hem bang te krijgen.

Het begon al iets te schemeren toen de boerenknecht zich richting het weiland begaf waar de koeien loom stonden te grazen. Grinnikend liep hij verder en vond dat de oude boer te oud werd voor het werk. Hij moest maar stoppen en de boerderij aan hem verkopen, hoog tijd voor vers bloed. Mijmerend over zijn toekomst en lachend om de angstige boer, draaide hij die zomeravond de Oosteinderlaan op. In de verte waren de pikzwarte wolken al te zien, die het naderende noodweer aankondigden en Hinnik-Jan trok zijn jas iets steviger over zijn brede schouders.

Hinnik-Jan meende al iets van onweer en onrustige koeien in de verte te horen. De boerenknecht versnelde zijn tempo en hem beving een onaangenaam gevoel. Hij kreeg het gevoel dat het ineens een stuk kouder werd en de rillingen begonnen over zijn rug te gaan. Hoe dichter Hinnik-Jan bij de weilanden kwam, des te groter bekroop het onaangenaam gevoel hem en ja, dat voelde niet goed.

Uit het niets flitste het ineens voor de boerenknecht en begon het hard te waaien. Met een angstige blik keek hij naar boven waar de flits vandaan was gekomen. Op het moment dat hij zijn hoofd naar de hemel draaide, hoorde Hinnik-Jan een donderend geluid. Hij bleef staan en verstijfde van angst. De koeien van de boer waren op hol geslagen en het leek wel op de dieren zo de lucht inliepen.

De doorgaans zo nuchtere Hinnik-Jan schudde eens met zijn hoofd en keek nogmaals naar de koeien. Met veel lawaai en geraas kwamen de dieren door de lucht recht op hem af en hij zag dat de ogen van de dieren vuurrood waren. Hij bedacht zich geen seconde en maakte dat hij wegkwam. De angst voor deze duivelse koeien had hem zo te pakken gekregen, dat hij niet eens verman dat hij zijn klompen onderweg was verloren. Hij rende hard richting Leutingewolde met het idee dat de duivel hem op de hielen zat.

En daar stond hij nu voor de deur van ol weduwvrouw Hindriks te trillen van angst en te huilen als een klein kind. Van de eens zo noeste boerenknecht die voor de duvel en zien olle moer niet bang was, bleef nu maar weinig over dan een klein hoopje zieligheid.

Albert-Willen Hummel